Geplaatst op 27 september 2020

De eerste lezing: zondag 4 oktober 2020

Zondag 4 oktober | 27e zondag door het jaar A
Lezingen: Jes. 5,1-7; Ps. 80; Fil. 4,6-9; Mat. 21,33-43

Door: Tineke de Lange

Bij de combinatie van Jesaja 5 en Mattheüs 21 ligt de substitutie-theologie – het Joodse volk is verworpen, de christenen zijn het nieuwe volk van God – op de loer. In de lezingen staat echter niet het volk Israël als zodanig (‘de wijngaard’) onder kritiek, maar zijn leiders.

Jesaja 5 ligt in het verlengde van Jesaja 3,1-15, waarin God bij monde van de profeet de leiders van Juda aanklaagt vanwege hun despotisme en corruptie. In 3,14 beschuldigt Hij hen er zelfs van zijn wijngaard in brand te hebben gestoken. De leiders richten Gods volk te gronde.

De kritiek in Jesaja 5 heeft de vorm van een parabel, die wordt aangekondigd als een lied (v. 1). De parabel gaat over een wijngaard waarvan de vrucht ondanks de zorg van de eigenaar zeer tegenvalt (v. 1-2). In vers 3-6 is de eigenaar aan het woord. Eerst klaagt hij de wijngaard aan (vv. 4-5) om vervolgens het vonnis uit te spreken: hij zal de wijngaard niet meer beschermen en verzorgen (6). In vers 7 legt de profeet de parabel uit. De ‘geliefde’, de eigenaar van de wijngaard, is God, de wijngaard is het volk. De vruchten die God verwachtte waren recht (misjpat) en gerechtigheid (tsedaka); in plaats daarvan kreeg hij onrecht (mispach) en rechtsverkrachting (tsa’aka). Dat moet wel consequenties hebben, zoals we kunnen lezen in de rest van het hoofdstuk.

Voor verdere toelichting op de lezingen zie https://www.tijdschriftvoorverkondiging.org/wp-content/uploads/2018/05/27ste-zondag-door-het-jaar-A-Franciscus-4-10-2020.pdf

Voor een uitgebreide analyse van Jes. 5,1-7 en Mat. 21,33-44 zie Wim Weren, Intertextualiteit en bijbel, pp. 35-64.

Tineke de Lange is oudtestamentica en beleidsmedewerker van de Katholieke Raad voor het Jodendom


  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.