Geplaatst op 24 februari 2020

Het Vaticaan en de staat Israël

Eind vorig jaar zijn we op deze website begonnen met een nieuwe serie: ‘Aanzetten voor een katholieke visie op het Bijbelse land van de Belofte’. Vandaag Tineke de Lange over ‘Het Vaticaan en de staat Israël’.

Door: Tineke de Lange

De houding van de Rooms-Katholieke Kerk ten aanzien van het jodendom is sinds het Tweede Vaticaans concilie ingrijpend veranderd. Dat zien we terug in de relatie tot de staat Israël. In deze bijdrage beschrijf ik hoe de visie van de Heilige Stoel zich ontwikkeld heeft van afwijzing van een Joodse staat in het toenmalige Palestina (1904) tot erkenning van de staat Israël (1993).

1. Van 1904 – 1964: van Pius X tot Vaticanum II
In januari 1904 ontving paus Pius X Theodor Herzl, de leider van de zionistische beweging, in audiëntie. Herzl zocht steun voor zijn streven naar een Joods thuisland in het toenmalige Palestina, maar kreeg nul op het rekest. Pius’ afwijzing kwam voort uit theologische motieven: de Joden hadden Jezus niet erkend als Messias en Palestina was heilig omdat het het land van Jezus Christus was. Daarnaast speelde Pius’ algemene huiver voor moderne stromingen mee, waarvan het zionisme er een was.

Pius’ opvolger Benedictus XV stond minder afwijzend tegenover het zionisme. Zo steunde Rome het plan van Sykes en Picot van 1916, dat de internationalisering van een groot deel van Palestina behelsde, inclusief Jeruzalem en andere heilige plaatsen van het christendom. De Heilige Stoel koesterde namelijk het ideaal van een christelijk Heilig Land, waarover Italië, Frankrijk en Rusland het politieke gezag zouden hebben. Dat ideaal kwam dichterbij toen in 1917 een einde kwam aan het Ottomaanse rijk. In deze context beschouwde Rome de immigratie van Joden niet als een bedreiging, maar als een manier om tegenwicht te bieden aan de aanwezigheid van moslims.

Dat veranderde met de Balfour Declaration van november 1917. Daarin werd de Joden een eigen thuisland in Palestina beloofd. Het idee dat Joden het bestuur zouden krijgen over de heilige plaatsen was volgens de Heilige Stoel “voor christenen ontoelaatbaar”. Joodse immigratie werd nu vooral gezien in het licht van de bedreiging van christelijke aanwezigheid en christelijke belangen in het Heilig Land. Rome legde zich weliswaar neer bij het Britse mandaat over Palestina van 1920, maar men bleef ijveren voor de katholieke belangen. In een memorandum aan de Volkerenbond (1922) verdedigde staatssecretaris kardinaal Gasparri de ‘inheemse bevolkingsgroepen’ die in zijn ogen bedreigd werden door de zionistische aspiraties.

De Tweede Wereldoorlog bracht geen wezenlijke verandering in de houding ten aanzien van Palestina en het zionisme. In mei 1943 liet de nieuwe staatssecretaris, kardinaal Maglione, weten dat de Heilige Stoel op zich niet tegen een Joods thuis was, zolang dit maar elders gestalte zou krijgen. Uit de correspondentie van de apostolisch gezant in Turkije, Mgr. Roncalli (de latere paus Johannes XXIII), uit september 1943 blijkt dat de opinie van Maglione gemeengoed was binnen de diplomatieke dienst van het Vaticaan, maar dat men tegelijkertijd de toenmalige migratie van Joden naar het Heilige Land gerechtvaardigd vond “gezien de gevaren waaraan de Joden in verschillende landen blootgesteld zijn”. Een pijnlijk academische opmerking, aangezien de moord op de Europese Joden in volle gang was.

De lijn van het verdedigen van de christelijke belangen bleef ook kort na WO II gehandhaafd. Toch was er ook plaats voor nuances. In 1946 pleitte een Palestijns-Arabische delegatie bij Pius XII voor een stop op de Joodse immigratie. De paus verklaarde dat hij hoopte dat de situatie in Palestina zich zou stabiliseren en er een rechtsorde zou ontstaan die “met de daadwerkelijke samenwerking van alle belanghebbenden (…) iedere partij in het huidige conflict bestaanszekerheid zou garanderen.” Daarnaast maakte hij de delegatie deelgenoot van zijn afkeer van iedere vorm van ‘fanatiek antisemitisme’. Toen binnen de Verenigde Naties gediscussieerd werd over de toekomst van Palestina hield de Heilige Stoel zich afzijdig. In diezelfde periode werden de banden met Arabische en moslimlanden aangehaald. Ook toen duidelijk werd dat de opdeling van Palestina en de oprichting van een Joodse staat een reële optie werd— een voor Rome om theologische en politieke redenen eigenlijk onwenselijke uitkomst – bleef de Heilige. Stoel neutraal. Waarschijnlijk omdat in de VN geopteerd werd voor een delingsplan waarbij Jeruzalem een aparte, internationale status zou krijgen.

De pauselijke brieven ten tijde van de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948-49 herhaalden de uitgangspunten van het katholieke beleid: zorg om de heilige plaatsen, de positie van de katholieke inwoners van het land, en de wenselijkheid van een internationale status voor Jeruzalem. De paus vroeg aandacht voor het veiligstellen van de heilige plaatsen en voor de positie van de (Palestijnse) vluchtelingen. Voor de Joodse zienswijze was eigenlijk geen oog. Israëlische president Chaim Weizmann reageerde diplomatiek. Hij verwees naar de onafhankelijkheidsverklaring van mei 1948, waarin staat dat Israël “de vrijheid van godsdienst, geweten, taal, onderwijs en cultuur zal garanderen en de heilige plaatsen van alle godsdiensten zal beschermen.” Bovendien verzekerde hij dat “Israël zal instaan voor de veiligheid van religieuze instellingen, hun onschendbaarheid en hun bescherming.” Door de prudente en pragmatische houding van beide partijen ontstond in de loop der jaren een zekere modus vivendi tussen de Heilige Stoel en de staat Israël.

2. 1964 – 1993: van Vaticanum II naar diplomatieke erkenning
De relatie van Rome met de staat Israël veranderde pas echt na de veranderingen in de katholieke theologie m.b.t. het jodendom van het Tweede Vaticaans Concilie. De concilieverklaring Nostra aetate par. 4 van oktober 1965 vormde het omslagpunt. Anderhalf jaar daarvoor, in januari 1964, had paus Paulus VI een reis naar het Heilig Land gemaakt. Tijdens die ‘pelgrimage’ had de paus de naam van de staat, ‘Israël’ geen enkele keer in de mond genomen. Die ontbrak zelfs in bedankbrief aan de aan de Israëlische president, die geadresseerd was aan ‘President Shazar, Tel Aviv’. Dat zorgde natuurlijk voor flinke kritiek in Israël en in Joodse kringen daarbuiten. Maar voor Rome stond er meer op het spel dan de relatie met de staat Israël alleen. De concilieverklaring over het Jodendom was onderwerp van felle discussies, waarbij de tegenstand voor een groot deel kwam van bisschoppen uit het Midden-Oosten. Dat die verklaring er zou komen was in januari 1964 nog geen uitgemaakte zaak. Andere zorgen waren de relatie met de Oosterse kerken, met name de Grieks-Orthodoxe, mogelijke repercussies voor christenen in het Midden-Oosten bij erkenning van Israël en de positie van de in 1948 gevluchte Palestijnen. Daarom benadrukte de paus het spirituele karakter van zijn reis (“We komen als pelgrim”) en verwees hij naar het Heilige Land als de plaats waar de patriarchen, de profeten en Jezus Christus hadden geleefd, en niet naar de moderne Joodse staat. Terwijl men in Israël juist had gehoopt op erkenning van de politieke realiteit – en deze misschien zelfs had verwacht. Desondanks voerden ook onder paus Paulus VI pragmatische overwegingen de boventoon in de relatie tussen de Heilige Stoel en de staat Israël. De heilige plaatsen en de status van Jeruzalem bleven centraal staan in het beleid van Rome en tegelijkertijd werden Israëlische hoogwaardigheidsbekleders, o.a. premier Golda Meïr en minister Mosje Dayan, in audiëntie ontvangen. De in 1974 opgerichte Pauselijke Commissie voor de Religieuze Betrekkingen met de Joden hield zich, zoals de naam al zegt, uitsluitend bezig met de religieuze kant van de Joods-christelijke dialoog.

Een eerste officiële katholieke verwijzing naar de staat Israël vinden we in de verklaring van de Franse bisschoppen over de relatie van de Kerk met het Joodse volk uit 1973. Daarin lezen we:

“Christenen dienen rekening te houden met de uitleg die de Joden, die hun hereniging rond Jeruzalem uit naam van hun geloof als een zegen beschouwen, zelf van dit feit geven.”

Bovendien wezen de bisschoppen erop dat ook vanuit het oogpunt van internationaal recht het politieke bestaansrecht van het Joodse volk onderschreven diende te worden. Met het aantreden van paus Johannes Paulus II in 1978 werd deze lijn versterkt. Het inzicht dat  politieke existentie en religieuze binding met het (Heilige) Land voor Joden samenkomen in de staat Israël, en dat de Joden net als andere volkeren recht hebben op een eigen staat werd door paus Johannes Paulus II herhaaldelijk onderschreven, voor het eerst in de apostolische brief Redemptionis anno (1984):

“Voor het Joodse volk, dat in de staat Israël woont en in dat land zulke kostbare getuigenissen bewaart van zijn geschiedenis en zijn geloof, bidden wij de verlangde veiligheid en rechtmatige rust af, welke het recht is van elke natie en de voorwaarde voor leven en vooruitgang voor elke samenleving.”

In 1993 bevestigde de Heilige Stoel deze erkenning van de band tussen het Joodse volk, het land en de staat Israël met de jure erkenning van de staat Israël, die in 1994 gevolgd werd door het uitwisselen van ambassadeurs. Dit aangaan van diplomatieke banden werd mede ingegeven door hoopvolle ontwikkelingen voor de vrede tussen Israël en de Palestijnen. Zowel in de verklaring van de Franse bisschoppen als in Redemptionis anno gaat de erkenning dat de staat en het land Israël voor Joden een bijzondere betekenis hebben altijd samen met een pleidooi voor een oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict dat recht doet aan beide partijen.

3. Ontwikkelingen sinds 2000
Vanuit het principe van rechtvaardigheid ging de H. Stoel in februari 2000 ging het Vaticaan een overeenkomst aan met de PLO als wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk, in 2015 gevolgd door een ‘Comprehensive Agreement’.

Intussen is de uitwerking van de overeenkomst met de staat Israël nog steeds gaande. Dit is ingewikkelde materie. De Kerk, vertegenwoordigd door de Custodia, is immer al eeuwen aanwezig in het land en heeft een bepaalde status gekregen. Daarnaast zijn er talrijke katholieke instituties waarover afspraken gemaakt moeten worden. De besprekingen vinden plaats binnen de zogeheten ‘Bilateral permanent working Commission between the Holy See and the State of Israel’, die voor het laatst bijeen geweest is in 2017. Maar er speelt meer dan alleen praktische knelpunten.

In 2010 noemde emeritus-hoogleraar internationale betrekking Raymond Cohen vier factoren die van invloed zijn op de relatie H. Stoel – staat Israël:

– De onderhandelingen relatie kerk-staat d.w.z. over leven van christelijke gemeenschappen en instituties moeten nog afgerond worden.
– Er blijven politieke verschillen van inzicht, de relaties tussen beide staten zijn correct maar gereserveerd.
– Contacten tussen Pauselijke Commissie en opperrabbinaat zijn hartelijk, maar daarbuiten zijn traditionele vooroordelen aan beide kanten springlevend. Katholieke geestelijken hebben bijvoorbeeld de neiging te verwijzen naar het Israëlisch-Palestijnse conflict bij kwesties die hier niets mee van doen hebben, terwijl in Israël ultra-orthodoxen, met name de Sjas-partij, vijandig staan tegenover de Kerk.
– In Israël is, anders dan in Noord-Amerika en Europa, aan de basis geen sprake van vriendschappelijke contacten tussen Joden en christenen. Vooroordelen over het christendom zijn onder religieuze Joden in Israël wijdverbreid.

De huidige stand van zaken (2020) kan als volgt samengevat worden:
– De Heilige Stoel pleit consequent voor “veiligheid voor de staat Israël, stichting van een staat voor het Palestijnse volk, ontruiming van de bezette gebieden, een internationaal gegarandeerde bijzondere status voor de heiligste delen van Jeruzalem en een rechtvaardige oplossing voor de Palestijnse vluchtelingen.”
– Daarnaast vraagt de Kerk bijzondere aandacht voor de precaire positie van christenen in Israël en de Palestijnse gebieden.
– De christelijke heilige plaatsen blijven onverminderd de aandacht van de Heilige Stoel houden.
– De juridische afwikkeling van de basisovereenkomst van 1993 is nog steeds niet voltooid. Daarin spelen zowel de politieke ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse gebieden als hardnekkige vooroordelen aan katholieke en Joods-Israëlische kant zeker een rol.

Tineke de Lange is oudtestamentica en beleidsmedewerker van de Katholieke Raad voor het Jodendom.


  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.