Recensie van ‘Lied van verzet’

Deze dubbelautobiografie van de Amsterdamse danseres Lin Jaldati en de Duitse musicus Eberhard Rebling verscheen in 1986 al in het Duits (en een herdruk in 1988) onder de titel Sag nie, du gehst den letzten Weg. In het voorwoord bij die uitgave schreven zij toen: “Het leek ons nuttig om samen op te schrijven hoe wij de verschrikkelijke tijden van het fascisme en de oorlog doorgekomen zijn.” Het is Sander Stotijn, Rimco Spanjer, Diete Oudesluijs en Johan de Meijer alsnog gelukt om het na vele jaren in het Nederlands te vertalen en te voorzien van foto’s en voetnoten.
Door: Cor Sinnema
Lin Jaldati is de artiestennaam van Rebekka (Lien) Brilleslijper (1912-1988). Zij werd geboren in een joodse familie uit de Amsterdamse Jodenhoek. Haar Berlijnse man Eberhard Rebling (1911-2008) stamt uit een Duitse officiersfamilie. Samen vormen ze het bekende kunstenaarsechtpaar over wie Roxanne van Iperen de bestseller ’t Hooge Nest heeft geschreven. Tijdens de oorlog bleek dit huis een toevluchtsoord te zijn geweest voor Joodse onderduikers. Voor wie de ervaringen van de ooggetuigen uit de eerste hand wil kennen, is het boek beslist een aanrader.
Het boek onderscheidt zich van andere (auto)biografieën door de uiteenlopende stijl waarin de twee kunstenaars hun herinneringen hebben genoteerd. Lin Jaldati vertelt als eerste in deel I in een soms humoristische stijl over haar jeugd met zijn armoede, levendigheid en geborgenheid. Ze is een wat eigenzinnig kind en vlucht van huis zodra ze 21 is. Dan vindt ze onderdak en komt ze bij de revue. Via haar danslerares krijgt ze contact met kunstenaars, dichters en acteurs. Ze sluit zich in 1936 aan bij de CPN. Eberhard Rebling (1911-2008) tekent vervolgens voor het tweede deel en geeft een heel nauwkeurige en haast wetenschappelijk verantwoorde beschrijving van zijn jonge jaren, zijn muzikale vorming, universitaire scholing en de opkomst van het Derde Rijk. De helft van de klasgenoten is joods. Op de universiteit maakt hij kennis met Marx en het dialectisch materialisme. Hij is antifascist en een overtuigd communist. Na zijn emigratie naar Nederland vinden Lin en Eberhard elkaar en worden verliefd. Ze vinden elkaar in de muziek en hun communistische sympathieën.
Vanaf nu komen Eberhard en Lin om beurten aan het woord. In de jaren 1938-1944 (deel III) weet Eberhard Lin ervan te overtuigen weg te gaan bij de revue “om het specifieke talent dat haar eigen is, echt te ontwikkelen (236). Zelf droomt zij ervan solodanseres te worden met Joodse dansen en Eberhard helpt haar daarbij. Ze werken nauw samen en doen behalve naar Jiddische liederen ook grondig onderzoek naar Hebreeuwse en Jemenitische. Eberhard schrijft daar eenvoudige begeleidingen bij en let er vooral op dat het volkse karakter van de liederen bewaard blijft. In 1941 wordt Kathinka geboren. Dan begint de oorlog. Kathinka wordt bij goede vrienden ondergebracht en Eberhard duikt onder. Lin vertelt in deel IV over de twee laatste oorlogsjaren (1944-1945). Zij en haar zus Janny zaten in de laatste trein van Westerbork naar Auschwitz-Birkenau op 2 september 1944. Alle huiveringwekkende kampervaringen komen ter sprake. Indrukwekkend vind ik de sobere passage waarin ze eerst beschrijft hoe ze samen in februari/maart Margot en Anne Frank hebben begraven en na de oorlog hun vader ervan op de hoogte hebben gebracht: het bitterste wat ze moest vertellen: dat zij hun kinderen had overleefd.
In het laatste deel (1945-1952) beschrijven ze hun tweede leven. Drie hoofdstukjes zijn van de hand van Lin, de andere acht van Eberhard. Lin slaagt erin de eerste brief uit het concentratiekamp te laten bezorgen bij Eberhard. Zij is ook een van de eersten die uit het kamp terugkeert. Maar het duurde jaren voordat zij van de gruwelijke kampervaringen kan vertellen. Samen worden zij veel gevraagd om te zingen en te spelen in Joodse gemeentes, met name op joodse feestdagen. De dansen en liederen van Lin krijgen na de verschrikkingen van Auschwitz en Treblinka een nieuwe dimensie. In februari 1951 wordt Jalda geboren, hun tweede dochter. Het jaar daarna vertrekt het gezin naar Oost-Berlijn waar Eberhard hoofdredacteur van een muziektijdschrift werd, en vanaf 1959 rector van de staatshogeschool voor muziek in Berlijn. Tijdens het DDR-regime mocht Lin heel lang geen Jiddische liederen zingen. In de laatste jaren van haar leven heeft ze nog grote successen behaald. Samen met hun dochters Kathinka en Jalda Rebling gaan ze op tournees door Europa en Azië.
In het Nawoord vatten de vertalers de laatste levensjaren van Lin en Eberhard in de DDR in vogelvlucht samen. Lin krijgt steeds vaker last van depressies en wordt geregeld opgenomen, maar ze is als kunstenares overeind gebleven en blijven zingen. Kathinka werd violist. Jalda werd zangeres en specialiseerde zich in Europees-Joodse muziek van de Middeleeuwen tot heden.
Het boek is prachtig en heel invoelbaar geschreven. De joodse manier van leven in de Amsterdamse Jodenhoek van voor de Tweede Wereldoorlog en tijdens de Shoah komt erin tot leven. Lin en Eberhard hebben heel veel joodse liederen ontdekt en bewerkt. Zo hebben ze eraan bijgedragen dat het Jiddisch tot op de dag van vandaag is blijven klinken. Het is een belangrijk boek dat goed laat zien welke gevolgen fascisme en racisme kunnen hebben. In het jaar waarin we 80 jaar bevrijding vieren en gedenken is het een bijzonder knap staaltje narratieve geschiedenis.
Boekgegevens
Lied van verzet. Het bijzondere levensverhaal van twee bewoners van ’t Hooge Nest, door Lin Jaldati en Eberhard Rebling, Uitg. Boom, 2024, ISBN 978 90 2446 324 4, 608 blz., € 34,90 (hardback)
Cor Sinnema is permanent diaken in het bisdom ‘s-Hertogenbosch