Geplaatst op 10 juni 2019

“Het jodendom is voor ons christenen niet wezenlijk een andere godsdienst”

Hoe heeft de relatie tussen de katholieke kerk en het jodendom zich door de eeuwen heen ontwikkeld? Hoe gaat het nu met de joods-christelijke dialoog? En: wat kan de katholieke kerk van het jodendom leren? Over deze en andere vragen spreek ik met mgr. drs. Herman W. Woorts, bisschop-referent voor Kerk en Jodendom namens de Nederlandse R.K. Bisschoppenconferentie. Gisteren plaatsten we deel 1 van dit gesprek, hieronder deel 2.

Door: Dianne Nijhuis

Hoe kunnen jodendom en christendom elkaar verrijken?

“Het is niet aan mij om te zeggen hoe wij joden kunnen verrijken. Ik kan alleen dankbaar zijn als ik merk dat persoonlijke banden of ontmoetingen de ander(en) ook goed doen. En dat mogen we gelukkig ervaren.

Een voorbeeld. Eens in de twee jaar breng ik als hulpbisschop van Utrecht met kardinaal Eijk als aartsbisschop en de leden van onze Diocesane Werkgroep Kerk en Jodendom een bezoek aan een joodse gemeenschap, gelegen in ons aartsbisdom Utrecht. De laatste keer was dat in Enschede. Daar zijn we hartelijk ontvangen door het bestuur en de rabbijn van de orthodoxe synagoge. Daarbij werden over en weer toespraken uitgewisseld en ervaringen gedeeld. Dat doet elkaar goed en daar ben je dankbaar voor. Dat maken we elke keer mee, zowel bij orthodoxe als liberale Joodse gemeenten.

Maar laat ik het heel concreet maken. Ik bezocht onlangs het Joods Historisch Museum. Ik zie daar allerlei voorwerpen die thuis of in de synagoge gebruikt worden. Die voorwerpen hebben ons iets te zeggen en iets te leren. Bijvoorbeeld het gebruik van de jad. Dat ‘vingertje’ leert ons om Gods Woord niet aan te raken. Ik zeg niet dat we een jad moeten gaan gebruiken. We kennen onze eigen gebruiken om eerbied te betuigen aan Gods Woord. Als we bijvoorbeeld het evangelie hebben gelezen, wordt de tekst door de diaken, priester of bisschop gekust. Zo hebben we allemaal onze gebruiken.

We kunnen leren van hun liefde en eerbied voor de Tora. Dat geldt ook voor andere zaken die voor het jodendom van belang zijn. Bijvoorbeeld de zorg om het goed omgaan met voedsel en de verschillende spijswetten. Dat wil niet zeggen dat wij dat ook allemaal over moeten nemen. Helemaal niet in de zin dat het een verplichting is. Maar het maakt ons bewust van: het is ons gegeven, het is ons toevertrouwd. Denk aan de enorme aandacht en het belang van de sjabbat. Wij hebben ook de Dag des Heren, de zondag. Zien hoe joden omgaan met het belang van de sjabbat, kan ons christenen de vraag doen stellen: geven wij de zondag de invulling die het toekomt? Is het werkelijk een dag voor God en onze naasten?”

Hoe belangrijk is voor u de Dag van het Jodendom?

“Ieder bisdom geeft zijn eigen invulling aan de Dag van het Jodendom. Het is een landelijk iets. Vanuit de Bisschoppelijke Commissie voor het Jodendom en de Katholieke Raad voor het Jodendom wordt er allerlei materiaal aangereikt waarmee parochies aan de slag kunnen.

De Dag van het Jodendom helpt ons om een keer per jaar uitdrukkelijker dankbaar te beseffen met wie wij verbonden zijn en waar we uit voortkomen. Dat heeft voor mij ook alles te maken met dat God een verbond is aangegaan met concrete mensen. Allereerst met Noach, later met Abraham en Sara en het joodse volk. Dat zijn geen mythen. Het is geen fantasie of het zijn niet alleen maar ideeën. Nee, het is heel concreet. Dat vind ik ook buitengewoon fascinerend voor ons eigen christelijk geloof. God is afgedaald en is geïncarneerd in een kind, in zijn Zoon.”

Eerder sprak u over antisemitisme. Zijn er nog andere maatschappelijke vraagstukken waarbij joodse en christelijke gemeenschappen kunnen samenwerken?

“Zeker. Allereerst in het publieke domein waarin je samen kunt en moet optreden om de uiteindelijke sjalom van God te helpen realiseren. Daar zijn wij medewerkers van. Maar wat ik ook zo belangrijk vind, is de joodse geloofsoverdracht. Dat gebeurt bij joodse families allereerst thuis. De overdracht van het vertellen van verhalen en het belang van het doorgeven van joodse gebruiken. Alles heeft een betekenis. Daar is voor ons katholieken nog een wereld te winnen. Ik zie wel bij joden dat hun grote kracht ligt in de vormgeving van huisliturgie. Hierdoor worden ook kinderen meegenomen. Zij hebben een actieve rol. Bijvoorbeeld bij het joodse Pesach waarbij het jongste kind vragen stelt.”

Vindt u dat de joodse gemeenschap voldoende geïnteresseerd is in de joods-christelijke dialoog?

“Ik vind het moeilijk om te spreken van de joodse gemeenschap. Ik snap de vraag hoor. Als ik me beperk tot Nederland, zie je getalsmatig in en rond Amsterdam sterke en minder sterke joodse gemeenschappen. Binnen de Amsterdamse context is er ook meer verbinding met andere culturen en godsdiensten, waaronder contact met de moslims. De LJG, de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam, investeert daar erg veel in onder leiding van rabbijn Menno ten Brink. Op andere plaatsen is dat weer anders.

Terug naar uwvraag: is er voldoende interesse? Ook dat is weer van personen afhankelijk. De een is meer geloofsinhoudelijk geïnteresseerd en de ander is meer geïnteresseerd in de vraag: wat kunnen we voor elkaar betekenen in deze seculiere samenleving? Daarbij speelt nog wat anders. Heel veel christelijke en joodse gemeenschappen zijn erg klein geworden. Die zijn vooral bezig met hun eigen overleving. Dus ik kan niet zeggen dat de interesse van joodse kant minder of meer is. Het is lastig te omschrijven.”

Zouden de joodse gemeenschappen baat kunnen hebben bij een verdergaande dialoog?

“Laat ik het anders zeggen. Onze huidige goede band en vertrouwdheid met joodse gemeenschappen geeft mij vertrouwen voor de toekomst. Daar moeten we altijd in blijven investeren. Het is een proces dat we gaande moeten houden, zeker gezien de lange en pijnlijke geschiedenis die er is geweest en waarvan ook nog steeds de littekens worden meegedragen. We moeten eraan bijdragen dat die band echt een goede, hartelijke, broederlijke en zusterlijke band is.”

In een eerder deel van ons gesprek sprak u over de islam. Hoe ziet u een mogelijke dialoog tussen jodendom, christendom en islam?

“Er zijn contacten. In Nederland heb je het overleg van joden, christenen en moslims. Maar dat is bij het referentschap interreligieuze dialoog. Daarin zijn monseigneur Van Burgsteden met zijn beleidsmedewerker erg actief. Mijn verantwoordelijkheid als referent voor kerk en jodendom is gericht op het jodendom in Nederland. Maar ik hoor er natuurlijk over en ik probeer het ook te volgen.

We zijn nu bezig met een ‘college of founders’ voor ‘Emoena’. Dat project komt vanuit Parijs en is gestart door een vrouwelijke rabbijn. Mensen uit verschillende godsdiensten en levensbeschouwelijke oriëntaties volgen een programma om elkaar beter te leren kennen. Het gaat ook om leiderschapsontwikkeling. Het gaat om leiders die vanuit eigen eigen godsdienst of levensovertuiging zich dienstbaar willen inzetten voor een vreedzame samenleving. We zijn in Nederland ook bezig om dat op te zetten. Daar ben ik namens de bisschoppenconferentie bij betrokken. Dat doen we in samenwerking met de VU. Daar zit onder andere rabbijn Menno ten Brink bij. Hij is goed bevriend met een imam uit Amsterdam die daar ook bij betrokken is.

Maar tegelijk heb je binnen de islam ook allerlei stromingen. Voor de joden is het heel duidelijk: als je met de rooms-katholieke kerk te maken hebt, weet je met wie van doen hebt. We hebben een hiërarchie met een duidelijk gezicht. Dat geldt voor de paus in Rome, voor de aartsbisschop van Utrecht en in mijn geval ook voor de referent voor kerk en jodendom. We hebben een leer en we hebben onze documenten. Dat geldt bijvoorbeeld bij het nadenken over de verhouding van de rooms-katholieke kerk met andere christelijke kerken, kerkelijke genootschappen of niet-christelijke godsdiensten. Vanaf Vaticanum II hebben we daar allerlei teksten en inzichten over die verwoord zijn. Dus dan is het in de dialoog helder: ‘Waar gaat het over en met wie heb ik van doen?’.”

U benadrukte hiervoor al het grote belang van een goede vertrouwensband in de joods-christelijke dialoog. Wat heeft nog meer een positieve invloed op deze dialoog?

“Het heeft te maken met de houding van leerling zijn. We zijn allereerst leerling. Dienstbaarheid is een grondhouding. Een ander woord hiervoor is ‘ontvankelijkheid’. Ontvankelijk voor wat God mij te zeggen heeft. God heeft mij iets te zeggen in de ontmoeting met de ander. Het jodendom is voor ons niet wezenlijk een andere godsdienst. We zijn verschillend, zeker in ons belijden wie de Christus is. Maar het jodendom staat zo dicht bij ons. We zijn geënt op het jodendom. We mogen daar nog steeds uit putten en gevoed worden. Naar mijn overtuiging kan de joods-christelijke dialoog vruchtbaar zijn vanuit wederzijdse ontvankelijkheid, vanuit wederzijdse gelijkwaardigheid en vanuit respect voor elkaars eigenheid.”

Tot slot. U doceert ook kerkelijke kunst aan seminaries, priesteropleidingen. Welk beeld of welke kunstafbeelding staat voor u symbool voor de joods-christelijke dialoog?

“Zelf ben ik erg geraakt door de beeldtaal van de oud-christelijke iconografie. Die is zo bijbels en hoopvol. Veelal zijn die oude voorstellingen momenten uit het Oude Testament. Denk maar aan Gods redding van Noach uit de ark, van de Joodse jongelingen in de vuuroven, Jona die vanuit de vis weer op het land komt en Suzanna die gered wordt uit de handen van haar belagers. We zien in latere eeuwen evenwel dat er steeds meer uitingen komen van een anti-joodse houding of van karikaturen die van joden zijn gemaakt tot in de 19de en 20ste eeuw aan toe.”

De verhouding tussen christendom en jodendom was vaak problematisch. In de kunst en iconografie werden kerk en synagoge vaak als tegenpolen tegenover elkaar gezet. In veel Europese kerken zie je afbeeldingen van de kerk en synagoge naast elkaar: een vrouw met een kroon en een kelk in haar handen, kijkend naar Christus aan het kruis. Zij beeldt de ecclesia uit, de zegevierende kerk. Tegenover haar staat een geblinddoekte vrouw die de verkeerde kant opkijkt. Dat is de synagoge, het beeld van het jodendom.

In de Middeleeuwen was de geblinddoekte synagoge de religieuze uitdrukking van de overtuiging dat het jodendom afgedaan zou hebben. Van die overtuiging heeft het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) uitdrukkelijk afstand genomen. Dit soort tegenstellingen zijn nu in onze ogen onacceptabel en mogen ook nooit meer zo gemaakt worden.

Na dit gezegd te hebben, kom ik nu uit op een kunstwerk dat belangrijk voor mij belangrijk is in de joods-christelijke dialoog: het beeld Synagoga en Ecclesia in Our Time van Joshua Koffman. Het zijn twee vrouwen die samen studeren en samen lezen uit Gods Woord. De foto is een verbeelding van een vrouwenfiguur van de synagoga met de Tora en van een vrouwenfiguur met een kruis en een boek. Zij verbeeldt de Ecclesia, het Nieuwe Testament. Het lijken tweelingen. Ze zijn beiden ontvankelijk voor wat ze meedragen en voor wat Gods Woord te zeggen heeft. Deze foto is voor mij bemoedigend en hoopvol.”
___

Begin 2018 hebben we mgr. Woorts ook al eens (kort) geïnterviewd op video. Klik hier om deze video te bekijken.

Foto: Dianne Nijhuis


  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.