Geplaatst op 2 december 2018

Reflecties op een conflict bij de viering van 70 jaar Israël | deel 5: Geschiedenis

Foto: Pixabay

Twee maanden geleden zijn we op deze website begonnen met de serie ’Reflecties bij een conflict: 70 jaar Israël’. Met deze serie haakt docent Eric Ottenheijm aan bij de ervaringen uit zijn colleges voor de Universiteit Utrecht. De viering van 70 jaar Israël in mei van dit jaar biedt een goede gelegenheid de vraag te stellen hoe je je moet bewegen in het labyrint van het conflict. Het labyrint, want het is niet simpelweg een conflict tussen bezetter en bezette. In de loop der jaren heeft hij enkele handvatten geformuleerd voor het omgaan met dit conflict in een ideologisch verscheurd landschap. Deze handvatten zijn bruikbaar binnen en buiten de kerken. Vandaag deel 5, het laatste deel, over Geschiedenis (deel 1 is hier te lezen, deel 2 hier, deel 3 hier, deel 4 hier).

Door: Eric Ottenheijm

Herinnering blijkt in het conflict vaak bepalender voor het zelfbeeld dan geschiedschrijving. Dat geldt zeker voor het Jodendom, met een religieuze herinneringscultuur van feest- en herinneringsdagen. Dat geldt ook voor Palestijnen en hun meer familiale of lokale herinneringen. Toch staat ook academische historiografie niet los van herinnering. De debatten over de wording van het zionisme of het Israëlisch-Palestijns conflict zijn altijd gekoppeld aan onderliggende, vaak existentiële vragen.

Zie bijvoorbeeld het debat tussen Israëlische historici Ilan Pappé en Benny Morris over de oorlog van november 1947-mei 1948. Volgens Morris zijn er geen directe bewijzen voor een vooropgezet Israëlisch plan voor etnische zuivering en systematische verdrijving van Arabieren uit de beoogde Joodse staat. Ilan Pappé daarentegen wijst op de omvang van de verwoeste dorpen (meer dan 500), en de continuïteit van wat hij ziet als systematisch gemotiveerd geweld jegens Arabieren. In een lezing die ik hem liet geven voor studenten in Nes Ammim (2014) viel me op hoe hij tegenover dat beeld van structureel geweld een beeld neerzette van de Arabische samenleving als gastvrij en tolerant. Tja, wat dan te denken van de pogrom in Hebron (1927), of de opstand van 1936-1939? Telkens weer proef je in dergelijke debatten een onderliggende, bijna existentiële constante. Palestijnen en hun Joodse sympathisanten willen erkenning voor het onrecht dat hen in 1947-1948 is aangedaan of overkomen. Israëli’s willen de erkenning dat ze in die oorlog vochten om als natie te overleven, en erkenning dat de staat voor vele Joden wereldwijd het enig denkbare antwoord zou worden op de Sjoa. Zo verdicht het conflict zich tot een ideologisch en symbolisch conflict: Sjoa versus Naqba. Met alle problemen van dien.

De meest fundamentele vraag bij elke politieke oplossing die men bedenkt is dan ook: kunnen we het verleden ontdoen van zijn vaak verstikkende greep op het nu? Onder iedere oplossing voor het conflict ligt een interpretatie van het conflict, en die interpretatie komt voort uit een interpretatie van het verleden. Zie je bijvoorbeeld het seculiere zionisme uitsluitend als het Joodse antwoord op het Europese antisemitisme, dan zou je kunnen concluderen dat de Palestijnen voor een Europees probleem moeten opdraaien. Maar daarbij dreig je over het hoofd te zien dat veel Joden in Arabische landen ook onder een discriminerend bestel leefden, en dat ook voor hen de Joodse staat een bevrijding betekende. 1948 geldt in dat hele complex van geschiedenis en interpretatie als het verhaal van de oerzonde van het zionisme. Welke analyse men ook aanhangt, hier ligt de kern van het probleem: er zal geen duurzame oplossing denkbaar zijn zonder een rechtvaardige regeling van de vluchtelingenproblematiek die toen ontstaan is.

In dat licht valt me altijd op hoe, zeker door zeer betrokken buitenstaanders, het conflict zo snel in een dader-slachtoffer perspectief geperst wordt. Dan is sprake van ofwel de zionistisch-koloniale (sic!) terreur jegens de ‘oorspronkelijke’ Arabische bevolking, ofwel van de Joodse David die zich tegen een antisemitische en numeriek superieure Arabische vijand staande houdt. Deze ‘framing’ is soms geworteld in angst. Juist het onderkennen van die angst is nodig om een stap verder te komen. Vaak gaat die ‘framing’ samen met een behoefte aan een overzichtelijke, morele schematisering. Zo kun je je zonder voorbehoud solidair verklaren met een van de partijen, en ofwel terreuraanvallen rechtvaardigen, ofwel de systematische politiek van onteigening en bezetting negeren. Ik vermoed achter deze ‘framing’ soms een denken dat het slachtoffer ziet als de ultieme rechtvaardige of als de belichaming van de lijdende Christus. Maar op slachtofferschap vestig je geen morele handelingsvaardigheid en bereik je geen vrijheid.

Rabbijn David Hartman van Rabbis for Human Rights heeft ooit betoogd dat je op Auschwitz geen samenleving bouwt. Evenmin bouw je een samenleving op het bloedbad van Deir Yassin. Collectief slachtofferschap gijzelt het verleden en zet het heden en zelfs de toekomst vast. In dat licht is het hoopvol dat de christelijke nederzetting Nes Ammim samen met de kibboets Lochamei Ha-geta’ot – gesticht door overlevenden van het getto van Warschau – en samen met Palestijnen en Arabieren poogt een plek van ontmoeting en gesprek te zijn. Een neutraal gebied, waar men elkaars verhalen kan aanhoren zonder gedwongen te worden tot politieke stellingname.

Eric Ottenheijm is docent Jodendom en vroegchristelijke literatuur aan de Universiteit Utrecht 


  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.